Column Carolijn: mijn haat-liefde verhouding met Amsterdam

Ik moet iets toegeven. Degenen die mij volgen op Instagram, weten dat ik een groot fan ben van Amsterdam. Het grootste deel van mijn feed wordt gevuld met rijtjes grachtenpanden en glinsterende grachten, afgewisseld met latte art en puppy Frits natuurlijk. Ik hou van deze stad, met alle leuke koffietentjes, restaurants en prachtige panden. Maar tussen liefde en haat zit een dunne grens en het gebeurt dan ook regelmatig dat ik roep dat ik wil verhuizen naar een hutje op de hei in de middle of nowhere.

Ik ben opgegroeid in een klein dorpje in Noord-Brabant, daarna voor mijn studie vertrokken naar Nijmegen om vervolgens na korte periodes in Den Haag, Stockholm en New York te eindigen in onze hoofdstad. Ik kan mijn eerste dag als officiële Amsterdamse nog goed herinneren. Fietsen vond ik nog een beetje tricky op die smalle fietspaden, die je moet delen met opgevoerde brommers, onhandige bakfietsen en levensgevaarlijke trambanen. De tram leek mij een relaxed alternatief, maar daar kwam ik al snel op terug. Waarom mag ik maar aan een kant instappen? Waarom schreeuwt iedereen? En waarom kijkt iedereen zo nors? Geschokt ben ik bij de eerstvolgende tramhalte uitgestapt, om vervolgens bij de koffiehoek in de HEMA tot rust te komen (die hebben we in Brabant immers ook en voelt vertrouwd).

Column Carolijn: welkom bij de club van hoog sensitieve personen.

Inmiddels weet ik niet beter meer en ben ik alle Amsterdamse rituelen en gebruiken gewend. Maar soms wordt het me te veel en zoek ik op Funda naar riante boerderijen ergens in het Zuiden of Oosten van het land, die gek genoeg voor hetzelfde bedrag te koop staan als een tweekamerappartement in hartje Pijp. Een mooie boerderij met een grote tuin voor Frits om in rond te rennen, een ruim atelier voor mijn creatieve uitspattingen en met uitzicht over een groen weiland, waar ik elke ochtend samen met vriendlief en een vers kopje koffie van kan genieten.
gracht
Vooral als ik een slechte dag heb slaat mijn liefde voor Amsterdam om in immense haat. Vol afschuw aanschouw ik alle uitgezakte mannen, gekleed in vale grijze joggingbroeken die met hun schichtige oogjes over de Wallen slenteren. Mijn maag keert dan om en in gedachten ben ik mijn koffers al aan het pakken. Van mensen die het een goed idee vinden om op een zondagmiddag door de Kalverstraat te fietsen krijg ik hartkloppingen en hetzelfde geldt voor taxi chauffeurs die met tachtig kilometer per uur door smalle straatjes scheuren. Ja, tref je mij op zo’n verkeerde dag en vraag je als foute toerist met Amsterdam-muts (daar heb je ‘m weer) en met bloed doorlopen wiet-ogen waar het Museumplein zit, dan wijs ik je de weg naar het Scheepvaartsmuseum.

Maar gelukkig is het steeds vaker dat ik liefde voor Amsterdam voel. Misschien ligt het aan de zon die weer af en toe tevoorschijn komt, alle rustige mooie plekjes die ik door mijn fotografie ontdek of dat ik steeds beter in mijn vel zit en me daardoor beter voor de drukke buitenwereld kan afsluiten, maar de slechte dagen worden minder. Vorige week liep ik aan het einde van de avond naar huis. De lichtjes op de bruggen brandden, het water was zo stil dat alle panden reflecteerden in de grachten en er was niemand te bekennen. Ik besefte me wat een geluk ik heb dat ik mag wonen in een van de mooiste steden ter wereld en even overwoog ik de Funda-app op mijn telefoon te verwijderen. Dat heb ik toch maar niet gedaan. Chagrijnige dagen zullen er immers altijd tussen zitten en dan komt zo’n gezellig, stil boerderijtje aan de andere kant van het land best goed van pas.

Column Carolijn: #excitingnewthings.