Column Carolijn: het leed dat mijn bedrijfsarts heet (het sluitstuk)

Het gaat steeds beter. Na de terugval van een paar weken geleden ben ik keihard aan de slag gegaan met mijn psycholoog en arbeidscoach en langzaam ben ik weer uit het diepe dal aan het klimmen. Ik heb het gevoel dat een doorbraak dichtbij is, ik begin weer energie in het leven te krijgen en durf weer een beetje vooruit te kijken. Natuurlijk, de angstige gedachten duiken nog steeds plotseling op en de nachtmerries komen ook nog regelmatig voorbij. Dan droom ik dat ik huilend op mijn werk zit en voel ik de druk toenemen. Ik hoor het gefluister van collega’s en zie de bekritiserende blik van mij baas. Snikkend word ik dan wakker en met een bonkend hoofd en een pijnlijk lijf lig ik de rest van de nacht naar het plafond te staren.

Maar dat ik vooruitgang zie, betekent nog niet dat ik er ben. Ik weet nog steeds niet wat ik met mijn leven aan moet, of ik in de advocatuur moet blijven of dat ik beter een andere carrière kan uitkiezen. Maar dat is oké en op dit moment slechts bijzaak. Ik ben trots op mijn harde werken. Ik ben doorgegaan, heb geweigerd om bij de pakken neer te gaan zitten en heb mezelf keer op keer weer opgeraapt. En ik ben heel blij dat al dat harde werken zijn vruchten aan het afwerpen is en ik eindelijk het gevoel heb dat ik aan de laatste fase van mijn herstel ben begonnen.

Carolijn

Foto door Isabel Sacher

Dat is ook wat ik tegen de bedrijfsarts zeg tijdens ons maandelijkse gesprek. Ik vertel hem hoeveel beter het gaat, dat ik er bijna ben maar dat ik nog een klein beetje tijd nodig heb om knopen door te hakken. Het zou fijn zijn om rust en geduld van de kant van mijn werkgever te krijgen zodat ik me de komende twee weken kan richten op de grote beslissing. Vol hoop kijk ik zijn kant op. Hij staart me aan en het is duidelijk dat hij niet open staat voor mijn verhaal. Onmiddellijk begint hij aan zijn gebruikelijke relaas: “Het duurt nu wel heel lang, he Carolijn. Hoe lang zit je nu al thuis, bijna een half jaar? Dan is het nu wel meer dan de hoogste tijd om te beslissen.” “Ja dat begrijp ik”, antwoord ik, “maar ik ben er bijna en ben er nu nog niet aan toe om levensingrijpende knopen door te hakken.”

Hij laat een stilte vallen en kijkt me recht in mijn ogen aan. Hij ziet eruit als een roofdier dat haast bewegingsloos naar zijn prooi sluipt. Hij schraapt zijn keel en maakt zich klaar voor de aanval. “Fijn dat het weer wat beter gaat, wanneer kun je weer beginnen met werken?” Ik schrik me dood. “Ehm”, stamel ik. “Geen idee. Je overvalt me nogal met deze vraag.” Dit keer reageert hij niet met stilte. Hij verheft zijn stem en met een luide stem spreekt hij me streng toe: “Hoe kun je nou zeggen dat ik je hiermee overval Carolijn? Waarom denk je dat we hier zitten, om jou zo snel mogelijk aan het werk te krijgen toch?” Ik schrik van zijn stemverheffing en val bijna van mijn stoel. Ik fluister zacht, “M-m-m-misschien over een maand?” “Ik versta je niet, Carolijn.” “Over een maand”, zeg ik.

Hij kijkt me weer met die grijns aan, en we weten het allebei. Hij heeft gewonnen. Hij pakt een notitieblok en begint ijverig een lijst te maken met daarop de data wanneer ik op de werkvloer verwacht word. Terwijl hij enthousiast met het schema aan de slag gaat, stap ik op. Ik geef hem geen hand meer. Ik loop de kamer uit en loop richting lift. Deze keer druk ik niet op het knopje naar beneden, maar omhoog naar de HR-afdeling. Het is klaar. Ik geef het op. Dit is een strijd die ik niet kan winnen.

Dit is het sluitstuk van mijn ‘het leed dat mijn bedrijfsarts heet’-reeks. Een drietal columns gewijd aan mijn strijd met mijn bedrijfsarts, die bijna nog zwaarder was dan mijn gevecht tegen mijn burnout. Of het een vooropgezet plan van hem en mijn voormalig werkgever is geweest, weet ik niet. Maar zo voelde het wel. Vanaf het eerste gesprek heb ik het gevoel gehad dat ik zo snel mogelijk weg moest. Dat vind ik zonde, dat heeft ervoor gezorgd dat ik met een enorm naar gevoel terugkijk op mijn eerste echte baan. Een valse start van mijn carrière. Wat ik vooral jammer vind is dat ik hierdoor nooit normaal afscheid heb kunnen nemen van mijn voormalige collega’s, met wie ik altijd met veel plezier heb samengewerkt. Dus voor wie het leest: bij dezen. Bedankt voor de leerzame periode, de bemoedigende woorden ’s avonds laat, de ontspannende potjes tafeltennis en de gezellige borrels. Bedankt voor alle berichtjes toen ik ziek thuis zat en de positieve reacties op mijn carrièreswitch. Regelmatig zie ik het eindresultaat van jullie harde werken op het nieuws voorbijkomen, en dan ben ik stiekem best een beetje trots.

amsterdam

Gelet op de enorme hoeveelheid reacties op deze reeks weet ik dat ik niet de enige ben die ervaring heeft met een lastige bedrijfsarts. Voor wie daar op dit moment mee te maken heeft, hou vol. Je hebt meer rechten dan je denkt, alleen daar word je niet op gewezen. Zit een bedrijfsarts je dwars? Vraag een andere aan. Ik ken ook verhalen van normale bedrijfsartsen die de gezondheid van werknemers op nummer één zetten, dus ze zijn er wel. Juridische mogelijkheden bestaan ook, mocht het echt te ver gaan.

In een ding had de bedrijfsarts gelijk en dat is dat ik me een stuk beter voel nu ik gestopt ben. Maar dat had mijn eigen beslissing moeten zijn, niet de zijne. Vanuit ethisch, moreel en juridisch oogpunt is er veel fout gegaan. Geschokt en met woede denk ik terug aan onze gesprekken en ik heb meer dan genoeg stof om nog drie columns vol te schrijven. Maar dat doe ik niet. Het is klaar nu, tijd om vooruit te kijken. De lente komt eraan, mijn website is in de lucht (www.studiococotier.com) en ik kijk met een enorme glimlach naar de toekomst. Dit hoofdstuk is afgesloten, tijd voor het volgende.

Lees ook deel 1 en deel 2 van ‘Het leed dat mijn bedrijfsarts heet’